Onze klanten waarderen ons zeer goed De reisspecialist van Servië voor België & Nederland

Heeft u hulp nodig? +31(0)251 343 011

Garanties van Servië Reizen met ANVR en SGR

Geschiedenis

In de 4e en 5e eeuw na Christus overrompelden de Slavische stammen het Donau-bekken vanuit hun geboorteland dat ten noorden van de Karpaten lag. Deze opmars werd kort ingehouden aan de grenzen van het Byzantijnse rijk, maar ging door op het moment dat bleek dat de soldaten van Constantinopel niet op wacht stonden. Samen met de Aziatische Avaren drongen de Slaven het Balkan-schiereiland rond het jaar 600 na Christus binnen. De lokale geromaniseerde bevolking vluchtte naar de kust of naar de geïsoleerde bergen om in de loop van de volgende eeuwen langzaam te worden “geslaviseerd”. De Serviërs, een van de Slavische stammen, kwamen in een tweede golf (ergens tussen 626 en 641) uit de regio van de huidige Tsjechische Republiek en uit Oost-Duitsland. Samen met de Kroaten hadden deze krijger stammen de overhand op de ongeorganiseerde Balkan Slaven. De eerste Servische staten ontstonden in het bergachtige Adriatische achterland in het huidige Bosnië-Herzegovina en Montenegro, ver van belangrijke wegen, en halverwege tussen Rome en Constantinopel.

De Middeleeuwen ...
In het 2e deel van de 9e eeuw adopteerden de Serviërs het christendom op basis van een Slavische liturgie, gecreëerd door de monniken Cyrillus en Methodius, vaak wel de "apostelen van de Slaven" genoemd. Tijdens de volgende eeuwen echter, door de toenemende verschillen tussen de westerse en oosterse kerk, stonden de Serviërs open voor beide invloeden.

De 9e en 10e eeuw zagen een continue strijd van de Servische staten om vrij te blijven van de machtigere buren, Byzantium en Bulgarije. In 1077 werd de hertog Mihailo van Duklja in feite tot koning gekroond en als zodanig door de paus erkend, en verzekerde hij zich zo voor de eerste keer van internationale erkenning van de soevereiniteit voor een Servische staat. Deze soevereiniteit vervaagde echter onder een reeks heersers die slechts randfiguren waren voor de Byzantijnen of andere naburige Servische staten. Profiterend echter van de zwakte van de Byzantijnse staat, verenigde Stefan Nemanja alle Serviërs behalve die van Bosnië, en breidde de grenzen oostwaarts uit naar de Morava vallei en Prizren, en smeedde de basis voor een meer duurzame politieke structuur. Zijn oudste zoon Stefan werd in 1217 door de paus gekroond en werd bekend als de "Eerst gekroonde" terwijl de jongste zoon monnik werd, broer Sava, (de toekomstige Sveti Sava/Heilige Sava) en verzekerde de onafhankelijkheid van de Servische kerk van Constantinopel in 1219. Deze politieke banden, de nieuw opgerichte instellingen en ideologie, de oprichting van een onafhankelijke kerk, samen met de bouw van vele kloosters, bekrachtigde de kracht van de Nemanjic-dynastie gedurende een periode van 200 jaar (1168 - 1371). Dit tijdperk wordt dan ook beschouwd als de ware hoeksteen van de Servische geschiedenis.

De drie zonen van Stefan de Eerste-Gekroonde, Stefan, Radoslav en Uros namen niet veel deel aan de Balkanpolitiek, maar handhaafden wel de onafhankelijkheid van Servië, versterkten haar rijkdom door buitenlandse handelaren en mijnwerkers aan te trekken en interne kolonisatie te bevorderen. De zonen van Uros, Dragutin en Milutin, zetten de territoriale expansie van Servië voort. Milutin († 1286-1321) veroverde grote delen van Byzantium voor het verkrijgen van nieuwe territoriale gebieden, waardoor de status van Servië als de meest krachtige staat van de Balkan werd verzekerd. Servië bereikte zijn hoogtijdagen onder het bewind van koning Dusan, die de burgeroorlog in Byzantium gebruikte om zuidwaarts ten strijde te trekken in verschillende overweldigende golven. In 1345 werd Dusan tot keizer gekroond en het Servische aartsbisdom tot de status van patriarchaat verheven. Dit zorgde ervoor dat de betrekkingen met de moederkerk in Constantinopel eenvoudigweg ophielden te bestaan. Servië strekte zich nu uit van de Adriatische Zee tot de Mesta-rivier (vandaag de dag in Bulgarije), en van Belgrado in het noorden tot de Golf van Korinthe in het zuiden. Ondertussen was Bosnië bezig met het ontwikkelen van een eigen identiteit. Het land lag tussen Servië en Hongarije en had een eigen versie van het orthodoxe christendom die overigens voortdurend werd vervolgd door de katholieke Hongaarse koning. Het bestond als een klein territorium langs de rivier Bosna onder het gezag van de “Bosnische bans”. Een meer onafhankelijk buitenlands beleid en uitbreiding kwam met de aanwezigheid van Stjepan II († 1314 - 53) die werd opgevolgd door zijn neef Tvrtko.

Na de plotselinge dood van Dusan in 1355, kon zijn zoon - keizer Uros (genaamd "De zwakke") niet dezelfde sterke greep behouden op de edelen van het land, die tijdens de snelle periode van veroveringen sterker waren geworden. Hun hebzucht en verdeeldheid maakten de machtige staat al snel tot een feodale anarchie waarin de keizer slechts een pion was. De machtigste van de edelen in de regio van Macedonië, Vukasin Mrnjavcevic, probeerde zichzelf op te werpen als de opvolger van de kinderloze Uros, maar kreeg slechts enkele bondgenoten, terwijl weer andere edelen zich verzetten tegen zijn ambities. De twisten en dilemma's van de edelen werden even stopgezet door de groeiende dreiging van Ottomaanse Turken. In 1371 stierven Vukasin en zijn broer in de strijd op de rivier Maritsa en hun land werd ingenomen door de Ottomaanse sultan. Kort daarna stierf Uros zonder erfgenaam.

In het noorden van het land brachten de dood van Uros en Vukasin een herverdeling van de macht teweeg. De Bosnische ban Tvrtko veroverde de westelijke delen van Servië en kroonde zichzelf in het jaar 377 aan het graf van St. Sava in het Mileseva-klooster tot koning van de Serviërs. Een andere nobele die profiteerde van de veranderingen was prins Lazar, die regeerde over de vallei van de drie Moravas en de stad Novo Brdo, inclusief de grootste zilvermijn op de Balkan. Lazar probeerde de Servische staat weer bij elkaar te brengen: hij huwde zijn dochters met andere prominente edelmannen en herstelde de goede relatie met de kerk in Constantinopel, waarmee hij voor zichzelf de status van de “eerste onder de gelijken” won. In 1389 bundelde hij zijn krachten met koning Tvrtko en Vuk Brankovic (een edelman die het grondgebied van Kosovo controleerde) in een poging om de Ottomaanse opmars te stoppen. De bloedige slag van Kosovo Polje ("Veld van de merels"), in de buurt van het huidige Pristina, resulteerde in de dood van zowel de Ottomaanse sultan Murad I en Lazar. Met een gedecimeerd leger en een jonge zoon accepteerde de weduwe van Lazar, Milica, de status van vazal met de Turken. In Bosnië, na de dood van koning Tsertko in 1391, ging de macht van de staat weer neerwaarts.
Lazar's zoon Stefan diende de sultan Bayezid trouw en verenigde met zijn goedkeuring het grootste deel van Servië weer. Na de val van Bayezid in 1403, toen hem Belgrado werd toegekend, maakte hij deze tot zijn glorieuze hoofdstad. Eenmaal uit de Ottomaanse greep en met een relatieve vredige periode, die twee decennia duurde, maakte hij de nieuwe opkomst van stedelijke centra mogelijk en was er een renaissance van handel en mijnbouw. Dit werd gevolgd door een nieuwe prachtige stijl in architectuur en frescoschilderkunst, evenals literaire activiteit geleid door de gedichten van Stefan zelf. Stefan stierf in 1472 en werd opgevolgd door Djuradj Brankovic, een oudere neef. De heerschappij van Djuradj kwam echter in moeilijkheden: de Ottomanen waren weer in opkomst en vielen continue aan. In 1455 viel Novo Brdo samen met de andere helft van Servië. Het laatste bolwerk van de zonen van Djuradj, Smederevo aan de rivier de Donau hield stand tot 1459. Bosnië, verscheurd door zijn edelen, viel in 1463. Herzegovina, onder de Kosaca-familie, volgde in 1482 en ten slotte viel het Montenegro van de Crnojevics in 1499.

Onder buitenlandse bezetting ...
Tegen het begin van de 16e eeuw waren de door de Turken in gang gezeten migraties, die de etnische kaart van de Balkan moesten hervormen, goed op weg met als gevolg massa's Serviërs die vluchtten naar het noorden en westen. De Hongaarse koningen op hun beurt gebruikten deze Serviërs als soldaten om hun dunbevolkte zuidelijke grenzen te bewaken en bleven de Servische despoten nomineren. De val van Belgrado aan Suleiman de Grote in 1521 en de verwoesting van de Hongaarse staat in de slag om Mohacz in 1526 maakten een einde aan alle hoop dat de Ottomanen verslagen zouden worden, en Servië zou worden teruggewonnen. In de schaduw van deze gebeurtenissen werd Pavle Bakic, de laatste der Servische despoten in Hongarije, in 1537 vermoord. Met de Ottomaanse verovering van centraal Hongarije leefden bijna alle Serviërs nu onder de macht van de sultan. Er bleef echter wel enige lokale autonomie bestaan en veel Serviërs sloten zich aan bij het leger van de Ottomanen.

In 1557 bereikten de goede relaties tussen Serviërs en Ottomanen hun hoogtepunt toen de grootvizier, Mehmed-Pasha Sokolvic, (bekend in het Turks als Soccoly), van Servische oorsprong, het Servische patriarchaat herbevestigde en alle Serviërs uit het rijk omhelsde, uit Budva naar Skopje en van Zadar naar Sofia. De Servische kerk stond op als bewaarder van tradities. Met haar nieuwgevonden kracht, maakte de kerk discrete zetten om haar kloosters te herbouwen en volgde een artistieke heropleving. Deze goede relatie met de Turken duurde niet lang. In 1594 rebelleerden de Serviërs in Banat en later ook in Herzegovina, die reageerden op de oproepen van de Habsburgers tijdens hun oorlog met de Ottomanen. De Turkse reactie was om de relikwieën van Sveti Sava, de grootste Servische heilige, te verbranden. Vanwege de opkomst van wederzijds wantrouwen, als een nasleep van deze rebellie, kregen Serviërs niet langer de status van siphani (edelen). Ondertussen vocht het Habsburgse rijk voor zijn leven. Door een tekort aan fondsen om een regulier leger te kunnen financieren in zijn verwoeste en ontvolkte Kroatië en Slavonia verwelkomde het Habsburgse rijk iedereen die zou komen helpen om de Turken te bevechten. De nieuwkomers zouden bevoorrechte rechten als vrije mannen krijgen, maar met de verplichting om de grens te bewaken. Al snel werd een reeks nederzettingen, bevolkt door orthodoxe Serviërs, gevormd aan de Habsburgse kant van de grens. Deze werden geleidelijk aan georganiseerd als een militaire grens (Vojna Krajina). De vrije nederzettingen bedreigden de belangen van de landadel, terwijl de oosterse Orthodoxen de katholieken woedend maakte. In de eeuwen die volgden, moesten de Serviërs in Kroatië en Slavonië vechten tegen de herhaalde pogingen om hen van hun rechten en religie te beroven. De enige manier om te protesteren was loyaal te zijn aan de Habsburgse keizer en hopen op zijn bescherming, zowel in de wet als in de praktijk.

Het eerste Servische land dat zijn vrijheid terugwon, was Montenegro. Met de achterzijde beschermd door de Venetiaanse Republiek, verenigden de plaatselijke edelen het leiderschap van de metropolieten van de familie Petrovic-Njegos en besloten aan het einde van de 17e eeuw dat ze geen belasting meer zouden betalen aan de Ottomanen. Deze opstandigheid door een kleine en bergachtige regio leidde tot verschillende invallen van de Ottomanen, maar geen van hen slaagde erin om het terug te brengen naar volledige onderdanigheid en het lukte ook niet om de Montenegrijnse plunderingen van de naburige Ottomaanse districten te stoppen. In 1683 verloren de Ottomanen een groot gevecht aan de poorten van Wenen. In 1689 had het Habsburgse leger, met hulp van de lokale christelijke bevolking die de wapens had opgenomen, Servië bevrijd, tot aan Nis, Prizren en Skopje. Maar de Ottomanen hergroepeerden zich, dreven de Habsburgse troepen weer terug en met hen ook een massa aan vluchtelingen die op de vlucht waren voor wraak van de Turken. Deze vloedgolf aan mensen, geleid door Patriarch Arsenije III, petitioneerde de Habsburgse keizer om hen religieuze en persoonlijke vrijheden, evenals autonomie te verlenen. Door de ernstige behoefte aan soldaten stemde keizer Leopold ermee in en vestigden de vluchtelingen zich in Hongarije. Het privilegium dat de keizer afgeeft, maar waar hij niet van plan was aan te houden, leidde tot een langlopende strijd tegen het terugdringen van de macht van de boerenstand en deze te dwingen de orthodoxie op te geven. Toch wisten de Serviërs van het Habsburgse rijk een nieuwe elite te ontwikkelen, bestaande uit kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, officieren, nieuwe edelen en mannen van commercie, de lagen van de bevolking die nu de leiding hadden over kunst, cultuur en educatie. In de loop van de 18e eeuw veroverde en verloor Oostenrijk Servië tweemaal (1717-39 en 1789-91). Deze mislukkingen van de Oostenrijkers brachten het vertrouwen van de Serviërs in de Habsburgers ten einde. Als grensregio van het Ottomaanse Rijk, werd Servië al bestuurd met een brede autonomie die bedoeld was om de bevolking kalm te houden. De grensprovincie ontwikkelde zich al snel als een handelsgebied. De macht van de sultan over zijn vertegenwoordigers nam echter snel af. Toen opstandige Janissart-troepen de lokale bestuurder in Belgrado vermoordden en de controle over de stad overnamen en onregelmatige belastingen invoeren en zich land toe eigenden namen de Serviërs de wapens op.

Bevrijding en moderne staten ...
De muiterij die begon in 1804, veranderde al snel in een algemene Servische rebellie en nadat de besprekingen met de sultan mislukten in 1805, groeide het uit tot een algehele opstand tegen alle Ottomaanse autoriteiten. Onder leiding van de legendarische Djordje Petrovic - Karadjorde ("Zwarte George") organiseerden men zich en overwonnen de Servische legers tal van Ottomaanse offensieven, waardoor het gebied werd bevrijd van de rivier de Drina en de plaats Novi Pazar tot aan Leskovac en Vidin. Het was overigens niet alleen een nationale maar ook een sociale beweging. In de woorden van de gerespecteerde historicus Leopold Ranke - de "Servische revolutie" genoemd, was Servië gevangen tussen de diplomatieke manoeuvres van Napoleon, Oostenrijk, Rusland en de Ottomanen. De Serviërs konden noch herkenning, noch bescherming vinden en maakten na bijna een decennium van verzet plaats voor overgave in 1813. De brutale Turkse repressie die volgde kon de zoete geur van een decennium van slordige heerschappij en vrijheid niet wegnemen. Een nieuwe opstand volgde in 1814 en een andere in 1815. De leider van de laatste, Milos Obrenovic, een voorzichtige en sluwe man, gebruikte zijn vroege overwinningen om besprekingen met de sultan te beginnen en koos vervolgens voor gematigde autonomie. In de loop van de volgende jaren smeekte hij en bedreigde hij, kocht hij om en chanteerde hij. Hij kreeg een de facto autonomie in 1817 en vermoordde Karadjordje die de opstand probeerde te hervatten. Als laatste punt, in 1830 en 1833, won Milos de acceptatie uit Istanboel die de status van Servië als een zelf bestuurlijk vorstendom met de Obrenovics als erfelijke vorsten veiligstelde. Servië bleef hulde brengen aan de sultan, maar de effectieve Ottomaanse overheersing was nu beperkt tot in de muren van slechts zes forten.

Lees het vervolg in de handleiding – naar Servië. Deze krijgt u bij het boeken van een reis naar Servië.

"Kun jij kiezen tussen nationale parken, oude steden, wijngaarden, rivieren en grotten? Zie alles met onze fly drive vakanties"

Bekijk alle Fly & Drives